Belastingheffing oude optieregeling

Loon is al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten. Tot 1 januari 2005 werden optierechten op aandelen belast als loon op het moment van onvoorwaardelijke toekenning. Voor optierechten die voor die datum zijn overeengekomen en ter zake waarvan voor 2005 een bedrag als loon is genoten geldt overgangsrecht. Op grond daarvan volgt er een aanvullende heffing van loonbelasting over de meeropbrengst bij de uitoefening of vervreemding van een optierecht boven het bedrag dat eerder als loon in aanmerking is genomen. De uitoefening of vervreemding moest daarvoor binnen drie jaar na het verstrekken van het optierecht hebben plaatsgevonden.

Een werknemer ontving in december 2004 optierechten op aandelen van zijn werkgever. Civielrechtelijk werden de opties op 6 juni 2005 uitgeoefend. Omdat de werknemer door een arbeidsconflict inmiddels uit dienst was getreden, vond de afwikkeling van de opties pas na tussenkomst van de rechter in 2012 plaats. De werknemer bestreed daarom het standpunt van de inspecteur dat voldaan was aan de voorwaarde van uitoefening of vervreemding binnen drie jaar. De rechtbank verwierp dit betoog van de werknemer. Volgens de werknemer had, uitgaande van uitoefening van de opties in 2005, belastingheffing in 2005 moeten plaatsvinden. De inspecteur knoopte aan bij het in 2012 gelegen genietingsmoment. Volgens de tekst van de wet is het genietingstijdstip van loon het tijdstip waarop het loon betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld, rentedragend wordt of vorderbaar en inbaar wordt. Volgens de rechtbank was de opbrengst van de uitoefening van de optierechten niet eerder inbaar dan in 2012, na de tussenkomst van de rechter. De Belastingdienst heeft de opbrengst van de optierechten terecht in de belastingheffing over 2012 betrokken.



Neem direct contact op